Uitsluiting
Op 10 mei 1940 viel nazi-Duitsland Nederland binnen. Vijf dagen later gaven de Nederlandse strijdkrachten zich over. Koningin en regering waren naar Engeland gevlucht. De families Tal, Levenbach en Reiner zagen geen kans om te ontkomen. Zij moesten nu leven onder de Duitse bezetting.
Hoe ervoeren de kinderen de Duitse inval?
De kinderen ervoeren het uitbreken van de oorlog als een zeer ingrijpende verandering. Zij beseften dat hun families in het bijzonder gevaar liepen.
© NIOD, Beeldbank WO 2, No. 64829
De Nederlandse luchtbeschermingsdienst bestond uit burgers en was opgericht om de bevolking te beschermen tegen de gevolgen van luchtaanvallen. Leden van deze dienst droegen een band om hun arm met daarop ‘Luchtbeschermingsdienst’.
De luchtbeschermingsdienst, vooral bestaande uit vrijwilligers, bracht onder andere beschermingstape aan op winkelruiten om te voorkomen dat glasscherven in het rond zouden vliegen. Op de foto de etalage van een Joodse slagerij.
Er loeiden sirenes en vader meldde zich aan bij de luchtbeschermingsdienst.
Ons gezin probeerde naar Engeland te vluchten. Weiter
Op 14 mei reden we met de auto naar de haven, maar op weg daarnaartoe kwamen we vast te zitten in een enorme file omdat duizenden anderen hetzelfde van plan waren. We konden niet verder en moesten terugkeren. We zaten in de val.
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 64800
Ik herinner me dat de Duitsers Amsterdam binnentrokken. Weiter
Ik was op straat met mijn moeder. We stonden voor een flatgebouw dat destijds heel hoog gevonden werd en bekend stond als de ‘Wolkenkrabber’. Mijn moeder hield mijn hand vast. Op motoren kwamen de Duitsers de stad binnen. Toen ze langsreden zei mijn moeder in het Jiddisch ‘Brennen sollen sie’, wat ‘Laat ze verbranden’ betekent.
De snelheid en het gemak waarmee Nederland capituleerde en koningin Wilhelmina naar Engeland vluchtte was gewoonweg walgelijk.
Zelfs degenen die niets ophadden met het koningshuis voelden zich verraden door ‘de moeder van ons allen’, die ons in de steek liet. Koningin en ministers vluchtten, en zo konden de nazi’s hier naast een civiel bestuur ook een militair bestuur vestigen.
Wanneer begon de Duitse bezetter met het uitsluiten van Joden?
Vanaf 1 juli 1940 mochten Joden geen lid meer zijn van de luchtbeschermingsdienst. Het verbod gold ook voor alle mensen die ervan werden verdacht de Duitsers vijandig gezind te zijn vanwege hun nationaliteit of politieke opvattingen.
© Collectie Joods Museum, Amsterdam, No. 20020156
De Duitse verordeningen werden gepubliceerd in het ‘Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied’. De verordeningen werden per bezettingsjaar ingebonden.
© Koninklijke Bibliotheek/Delpher
Transcriptie
In Nederland werden de anti-Joodse maatregelen geleidelijk en gefaseerd ingevoerd. Eerst werd vader uit de civiele luchtbeschermingsdienst gezet.
Een van de eerste anti-Joodse maatregelen was het verbod op het koosjer [ritueel] slachten. Maar vader zorgde goed voor ons en kocht op koosjer wijze geslachte kippen die uit België waren geïmporteerd.
Waarom werden op 22 februari 1941 in Amsterdam honderden Joden opgepakt?
De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) had de confrontatie gezocht met politieke tegenstanders en Joden. De Duitse bezetter reageerde op de gewelddadigheden met een zogeheten strafmaatregel.
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 97187
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 97193
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 97188
Op 22 februari 1941 arresteerde de Duitse politie willekeurig Joodse mannen in de Joodse buurt van Amsterdam. SS-leider Heinrich Himmler had voor deze maatregel opdracht gegeven. Het was de eerste razzia tegen Joden in Nederland.
De opgepakte Joodse mannen werden samengedreven op het Jonas Daniël Meijerplein, waar zij werden vernederd en getreiterd. Meer dan 425 van hen werden in vrachtwagens weggevoerd naar een interneringskamp bij Schoorl in Noord-Holland.
Van de razzia zijn eenentwintig foto’s bewaard gebleven die door een onbekende Duitser waren genomen. Vermoedelijk ging het om een politieagent. Afdrukken van de foto’s zaten bij het politierapport over de razzia dat naar Himmler werd gestuurd.
In de Van Woustraat in Amsterdam was een ijssalon gevestigd die werd gerund door twee Joodse ondernemers. Weiter
Zij werden lastiggevallen en aangevallen door de Duitsers en de NSB. De relschoppers keerden telkens terug. Ter bescherming spoot een van de eigenaren ammoniakgas, dat gebruikt werd in de koelmachines, in het gezicht van een indringer. De Duitsers reageerden hierop met een razzia en pakten honderden Joodse mannen op.
Hoe reageerde de Amsterdamse bevolking op de razzia?
De razzia bracht grote opschudding teweeg en leidde tot protesten tegen de Duitse bezetters en de NSB. Er werden pamfletten verspreid waarin werd opgeroepen tot een algemene staking en steun voor de vervolgde Joden.
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 85769
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 85767
Transcriptie
© NIOD, Beeldbank WO2, No. 85768
Transcriptie
STAAKT!!! STAAKT!!! STAAKT!!!
Ik herinner me hoe de staking begon. Het was een poging van de bevolking om zich te verzetten tegen de vervolging van de Joden door de Duitsers. Weiter
Uit protest tegen het optreden van de nazi’s werd het tramvervoer stilgelegd, en de weinige trams die wel reden werden door de Amsterdamse bevolking tegengehouden.
Op dinsdag 25 februari 1941 verspreidde de staking zich binnen een paar uur over de stad. Winkels sloten hun deuren, en de staking sloeg ook over naar andere steden. Duitse soldaten begonnen in het wilde weg op burgers te schieten. Negen mensen vonden de dood, velen raakten gewond. De Nederlanders beseften dat verzet hun het leven kon kosten. Na de Februaristaking was er geen openlijk verzet meer.
Wikimedia Commons, photo: S. Sepp, CC BY-SA 3.0
Het monument ‘De Dokwerker’ staat op het Jonas Daniël Meijerplein in de voormalige Joodse buurt in Amsterdam. Het standbeeld herinnert aan de deelname van de Amsterdamse arbeiders aan de Februaristaking van 1941. Sinds de onthulling in 1952 vindt elke jaar op 25 februari een herdenkingsbijeenkomst plaats.
Het is waar dat de staking mislukte, maar ze voelde ook als morele steun. In de collectieve herinnering werd de Februaristaking een symbool van verbondenheid met de Joden.
Wat deden de Duitsers met de opgepakte Joden?
De meeste Joden die op 22 februari 1941 waren opgepakt werden naar concentratiekamp Buchenwald overgebracht en vervolgens naar concentratiekamp Mauthausen. Niemand van hen overleefde het. In juni 1941 vond in Amsterdam nog een razzia plaats.
Marco Obstfeld
1922-1941
Op 11 juni 1941 pakten de Duitsers Marco Obstfeld op. Hij werd naar Mauthausen gedeporteerd. Hij was pas negentien jaar toen hij op 13 september 1941 stierf. Weiter
Marco was de oudste zoon van oom Moshe en tante Renée, vaders zus. Een week nadat Marco was gestorven, ontvingen zijn ouders bericht dat hij tijdens het werken om het leven was gekomen. Ze mochten zijn as voor 30 gulden kopen. Ik weet niet of ze dit hebben gedaan of dat ze volgens de Joodse traditie zeven dagen hebben gerouwd. Ze vertelden ons niet wat er was gebeurd. Er heerste een gespannen sfeer in de familie. Tante Renée was erg onrustig, Moshe was zwijgzaam en toonde zijn gevoelens niet.
Hoe wisten de Duitse bezetters wie Joods waren in Nederland?
De nazi’s legden bij verordening vast wie als Joods moest worden beschouwd. De godsdienst van de grootouders was bepalend. Alle Joden moesten zich laten registreren, anders werden zij gestraft. Slechts weinigen durfden dat risico te lopen.
© Collectie Joods Museum, Amsterdam. Geschonken door het Nederlandse Rode Kruis
Transcriptie
[Adres] Amsterdam, Johannes Verhuls[t]str. 73 II
[Geb.datum en -plaats] 18.4.30 A[mster]dam
[Nationaliteit] Nederlandse
[Beroep] geen
[Huwelijkse staat] ongehuwd
[Opmerking] bij Tal, Alexander
In de herfst van 1941 moest de Joodse Raad een cartotheek aanleggen met gegevens over alle Amsterdamse Joden. De opdracht kwam van het Centraal Bureau voor Joodse Emigratie dat onder de Duitse Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam viel.
Het Centraal Bureau gebruikte deze archiefkaarten later bij het opstellen van lijsten van Joden die gedeporteerd werden.
Elk kaartje bevatte voor- en achternaam, adres, geboortedatum en -plaats, nationaliteit, beroep en huwelijkse staat. Bij kinderen werd de naam van een van de ouders toegevoegd. Deze gegevens werden later aangevuld met handgeschreven notities of stempels.
Vanaf 10 januari 1941 eisten de Duitsers dat alle 140.000 Joden in Nederland, inclusief ongeveer 40.000 uit nazi-Duitsland gevluchte Joden, geregistreerd werden. Weiter
De Nederlandse autoriteiten waren goed georganiseerd en ‘behulpzaam’, en de nazi’s ontvingen nauwkeurige gegevens van het Nederlandse bevolkingsregister, waaronder de huisadressen van Joden.
In de tweede fase besloot de bezetter dat alle volwassen inwoners van Nederland een persoonsbewijs bij zich moesten dragen. In de persoonsbewijzen van Joden werd een rode ‘J’ gestempeld, zodat Joden bij willekeurige controles op straat er snel uitgepikt konden worden.
Hoe weerde de Duitse bezetter Joden uit het openbare leven?
De Duitse autoriteiten vaardigden verordeningen uit met verbodsbepalingen voor Joden. Deze verordeningen gaven aan het uitsluiten van Joden de schijn van legitimiteit. Borden op straat vestigden de aandacht op de verboden.
© Collectie Anne Frank Stichting, Amsterdam
De nazi’s legden verboden op die op alle aspecten van het dagelijks leven betrekking hadden, en overal op straat verschenen borden met ‘Voor Joden verboden’. Weiter
We mochten niet meer naar restaurants, cafés, parken, bioscopen, voetbalwedstrijden en andere sportevenementen, markten en nog veel meer (…) Plotseling was alles voor ons verboden, zelfs op straat op een bank zitten of met een hengel ergens gaan vissen mocht niet meer.
De bedoeling van deze maatregelen was om de Joden uit het openbare leven te weren, hun bewegingsvrijheid te beperken en hen te isoleren.
© Nationaal Archief, No. 101680
Net als de drie jongens op de foto mochten ook wij niet langer naar het zwembad. Weiter
De Duitsers verboden Joden met tram, trein of bus te reizen. Onze auto werd inbeslaggenomen, en vader moest ook zijn fiets inleveren. We mochten geen telefoon of radio bezitten (televisie bestond nog niet). We mochten tussen 8 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens niet op straat zijn en niet op bezoek gaan bij niet-Joden.
Dit zijn de voornaamste verbodsbepalingen die de Duitsers tegen ons uitvaardigden, en ze geven een indruk van hoe het was om van de buitenwereld afgescheiden te zijn.
© Privébezit familie Tal
Toen we in september 1941 naar de derde klas gingen, waren er heel wat nieuwe kinderen. Weiter
Het waren kinderen die niet meer naar openbare scholen mochten en naar een Joodse school moesten zoals die van ons.
Er waren nu twee keer zoveel leerlingen. Onze meester moest nu lesgeven aan zesenvijftig leerlingen van 8 en 9 jaar (…) maar hoe?
In september ging ik over naar de zesde klas, Joodse kinderen mochten niet meer naar openbare scholen. Weiter
Dit was de volgende stap in het isoleren van de Joden. Dus na vijf jaar de openbare lagere school in Bentveld, moest ik nu naar een Joodse school in Haarlem. Elke dag namen Joost en ik de tram van Bentveld naar Haarlem. Hij ging naar het Joodse gymnasium, en ik naar de zesde klas van de lagere school.
Ik kwam in een klas met allemaal kinderen van verschillende scholen in Haarlem, Zandvoort en andere plaatsen in de omgeving. We waren vreemdelingen voor elkaar. Het was een grote puinhoop, de kinderen hadden allemaal een andere achtergrond en het was heel lastig om daar les aan te geven. Toch voelde ik mij ‘thuis’ bij deze kinderen met wie ik hetzelfde lot deelde.
Waarom moesten duizenden Joden naar Amsterdam verhuizen?
De Duitse bezetters wilden dat alle Joden in Nederland naar Amsterdam en een paar andere grote steden verhuisden, waar ze in aparte buurten moesten wonen. Zo konden ze gemakkelijker thuis of bij controles worden opgepakt.
© Stadsarchief Amsterdam, No. ANWX00486000518
Transcriptie
Het concentreren van de Joden in Amsterdam begon op 17 januari 1942. Weiter
In de maanden daarna moesten vele duizenden Joden die in steden en dorpen verspreid over Nederland woonden naar Amsterdam verhuizen.
Aangezien er in de overvolle Joodse buurt niet voor alle Joden van buiten de stad plaats was, werden sommigen naar andere buurten van de stad overgebracht waar al veel Joden woonden. Er waren al Joden naar kampen gedeporteerd en zij lieten lege woningen achter.
© Privébezit familie Levenbach
Begin 1942 werden alle Joden verbannen uit Bentveld en gedwongen in Amsterdam te gaan wonen. Een nazi betrok ons prachtige huis dat wij moesten verlaten. Weiter
In Amsterdam gingen we bij mijn vaders broer, oom George en zijn vrouw tante Martha wonen, in de Pieter de Hoochstraat. Gemakkelijk was het niet. Na een maand konden we gelukkig gebruikmaken van de woning van tante Ri, de eerste vrouw van oom Max, mijn vaders oudere broer. Hier woonden we stiekem, want we stonden officieel ingeschreven op het adres van oom George en tante Martha.
Aangezien mijn ouders dit te gevaarlijk vonden, gingen we ’s avonds slapen in het huis van onze oom. Het was ongeveer een halfuur lopen, en we moesten er voor 8 uur ’s avonds zijn, want toen ging de avondklok voor Joden in. Om de weg af te snijden staken we de Amstel over met een klein pontje – het enige transportmiddel waarvan Joden nog gebruik mochten maken.
© Privébezit familie Tal
Nadat we gedwongen naar Amsterdam waren verhuisd, ging ik naar een Joodse school. Ik zat nog steeds in de zesde klas. Weiter
Ik werd als een vreemde gezien, en voelde me ellendig. Ik was altijd goed op school, maar nu niet meer. Ik was achter, want in Haarlem had ik bijna niets geleerd. De meester was ongeduldig en had geen begrip voor mijn moeilijkheden. Ik kon niet meekomen en was vooral aan het dagdromen.
Aan het einde van het schooljaar was ik de enige die geen toelatingsexamen voor de middelbare school mocht doen. Dankzij de directeur van de lagere school in Bentveld, die kon uitleggen dat ik een zwakke leerling was als gevolg van de omstandigheden, mocht ik zonder toelatingsexamen naar de Joodse middelbare school. (…) Ik zat nog een paar maanden op deze school. Het was leuk. ’s Morgens haalden mijn vriendinnetjes (…) mij op met een oud wandelwagentje waar we al onze boeken in kieperden, en samen liepen we drie kwartier naar school, want met de tram mochten we niet.
Waarom moesten Joden van de bezetter herkenbaar zijn?
Door het dragen van de gele ster waren Joden altijd voor iedereen herkenbaar. Ze werden erdoor buiten de Nederlandse samenleving geplaatst, alsof ze vreemdelingen waren. Tegelijkertijd verhevigden de NSB en de Duitse bezetter hun antisemitische propaganda.
Wikimedia Commons, Museon Museum, Den Haag, CC BY-SA 3.0
Vanaf 3 mei 1942 moest elke Jood van zes jaar en ouder een gele Davidsster dragen met het woord ‘Jood’ in het midden. De ster diende op de kleding genaaid te worden, links op de borst, en om ons op stang te jagen was dat woord in nep-Hebreeuwse letters geschreven.
© Privébezit familie Tal
Op de foto staan de 52 kinderen uit de klas van Ruth en No‘omi, samen met hun onderwijzeres Henriette Van Pels, van de Herman Elteschool. Zij dragen allemaal de gele ster. No’omi (rechts) en Ruth staan op de bovenste rij helemaal links.
De onderwijzeres werd in juni 1943 opgepakt en vervolgens naar het vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd waar zij op 9 juli 1943 werd vermoord. De lijst met de namen van de leerlingen is verloren gegaan; hun lot is niet bekend.
Een paar dagen voordat we allemaal de ‘gele ster’ moesten dragen, kwam onze moeder thuis met een lap katoen waarop Davidsterren waren afgedrukt. Weiter
Elke ster moest worden afgeknipt langs de stippellijn die er omheen was getrokken. Ruth en ik, die dol waren op handwerken, zaten om de tafel met onze moeder en oma, en knipten heel precies de sterren uit. Moeder en oma naaiden ze op al onze kleren.
De volgende dag, op 2 mei 1942, gingen we het huis uit met de sterren op onze kleren. Vader zei dat we ons nergens voor hoefden te schamen. We hadden juist iets om trots op te zijn! Het was niet bepaald een sieraad op onze mooie zomerjurken, maar ik herinner me niet dat ik me ervoor geneerde. Het moet ons het gevoel gegeven hebben dat we één waren met de andere ‘sterrenkinderen’ met wie we naar school gingen.
Hoe begon de bezetter met het onteigenen van Joodse ondernemers?
Al in het najaar van 1940 verplichtten de Duitse bezettingsautoriteiten Joodse bedrijfseigenaren hun ondernemingen te registreren. Vanaf de lente van 1941 werden hun bedrijven ontbonden of onder toezicht van een beheerder geplaatst en onteigend.
© Privébezit familie Rinat
Vader moest in september 1942 zijn onderneming overdragen. Weiter
Hij droeg zijn fabriek over aan Herzog, een Duitse lederexpert die van de ene op de andere dag fabrieksdirecteur werd.
De situatie verslechterde, de zomervakantie brak aan, en we voelden de spanning toenemen.
Op een dag ging ik met mijn vader naar de fabriek en zag dat hij de post wilde openen, maar de Duitse directeur legde bruusk zijn hand op de stapel ingekomen post en zei: ‘Meneer Reiner, van nu af aan ben ik hier de baas.’ Hij zei het in het Nederlands, op een onbeleefde manier en zonder enig gevoel. Vader had het begrepen. Hij liet me niet blijken hoe erg hij het moet hebben gevonden zijn bedrijf, dat hij helemaal zelf had opgebouwd, uit handen te moeten geven.
Wat betekende onteigening voor de Joden die hun ondernemingen verloren?
De onteigende Joodse ondernemers verloren niet alleen hun bedrijven, maar ook hun banen en inkomen. Dit was gevaarlijk, want vanaf maart 1942 liep iedereen die werkloos was het risico naar een werkkamp te worden gestuurd.
© Privébezit familie Tal
Vader zat zonder werk. Dankzij vrienden en kennissen slaagde hij erin te worden aangesteld als officieel medewerker van het rabbinaat. Weiter
In september werd hij overgeplaatst en ging hij werken voor de Joodse Raad. Hij werd leraar metaalbewerking aan een – uiteraard Joodse – ambachtsschool. Dit werk lag hem aanzienlijk beter.
Wat gebeurde er met de privébezittingen van de Joden?
Alle Joden moesten hun waardevolle spullen inleveren en hun banktegoeden en effecten overdragen aan een bank die door de Duitsers werd beheerd. Sommigen slaagden erin een deel van hun eigendommen met hulp van buren of kennissen te verbergen.
Uit het privéarchief van Chanan Tal, originele bron onbekend
Leo Hillen was onze buurman in de Johannes Verhulststraat. Hillen was een vrome katholiek en in Nederland een bekend bouwondernemer. Vader en hij waren goed bevriend met elkaar. Weiter
Vader bracht veel tijd met zijn vriend door, vaak in het huis van de buurman, ook al hadden de Duitsers het de Joden verboden bij niet-Joden op bezoek te gaan.
In mei 1942, toen de bezetters bepaalden dat Joden hun waardevolle spullen, zoals juwelen, zilverwerk, tapijten, schilderijen etc. moesten inleveren, verborg Leo Hillen onze spullen in zijn huis. We gaven ook boeken en fotoalbums bij hem in bewaring.
Na de oorlog kregen we alles terug. Zodoende bezitten we nog steeds de oude schilderijen.
Waarom ging Marion Amster bij de familie Tal wonen?
Fré Tal, de moeder van Chanan, Ruth en No’omi, werkte bij de Joodse Raad op de afdeling Bijstand aan niet-Nederlandse Joden. Hier hoorde ze dat een Joods meisje dat uit Duitsland naar Nederland was gevlucht dringend onderdak nodig had. Dit meisje was Marion Amster.
© Privébezit familie Klugerman
Marion Amster werd op 9 april 1928 in het Duitse Kassel geboren. Haar vader Martin was een koopman, hij verkocht margarine. Op de foto is Martin te zien in zijn bestelbus. Marion (midden), haar zusje Ruth (links) en moeder Hedwig (rechts) staan voor het voertuig.
Na de pogrom in november 1938 werd Martin Amster tot het einde van het jaar gevangengenomen in Buchenwald. Begin 1939 stuurden de ouders hun beide dochters naar Nederland. Martin Amster mocht in augustus 1939 met een vluchtelingenstatus Engeland betreden. Marion’s moeder bleef in Kassel en werd vermoord in het concentratiekamp Stutthof.
© Privébezit familie Klugerman
Op vrijdag 14 augustus verwelkomden we Marion Amster in ons gezin. Weiter
Marion was op 9 april 1928 geboren in Duitsland. Begin 1939 kwamen zij en haar jongere zus Ruth in Nederland aan met twee gescheiden kindertransporten. Na een paar dagen in quarantaine te hebben gezeten, werden ze opgevangen in het Burgerweeshuis.
Marions zus Ruth vertrok op 14 mei 1940 met het laatste kindertransport van IJmuiden naar Engeland. Ze bracht de oorlog door in Wales.
In de zomer van 1939 werd Marion in een pleeggezin geplaatst. Drie jaar later, op een vrijdag, doken haar pleegouders samen met hun kinderen onder, maar zij namen Marion niet mee. Toen ze uit school kwam was er niemand meer thuis. Op de keukentafel lagen een briefje en een reep chocola. Op het briefje stond dat ze haar contactpersoon op de Afdeling Bijstand aan niet-Nederlandse Joden van de Joodse Raad moest contacteren. Die contactpersoon was vrijgezel en kon op haar huurkamer tijdens de sabbat geen meisje van veertien onderbrengen. Ze belde mijn moeder op en vroeg haar of die Marion in huis wilde nemen.
© Privébezit familie Tal
Ruth en ik gingen op het balkon staan aan de voorkant van ons huis om haar te zien aankomen. We kenden haar van school en wisten dat ze prachtig kastanjebruin haar had. En heel goed was in gymnastiek! Weiter
Gespannen stonden we op het balkon te wachten. Daar komt ze aan! Ze loopt naast iemand van de Joodse Raad. Hier was haar gevraagd of ze in het weekend bij ons in het gezin wilde komen. Ze had geen idee bij wat voor een gezin ze zou worden ondergebracht. Eng! Maar het is duidelijk dat ze de uitnodiging had aangenomen. Voor haar betekende het dat ze gered was. Waar zou ze anders naartoe zijn gegaan nadat de Cohens, haar pleegouders, waren verdwenen?
Op zaterdagavond vroegen onze ouders ons of het goed was dat Marion bij ons zou blijven. Zonder aarzelen waren we het ermee eens. Marion heeft met ons de oorlog doorgemaakt.