Bergen-Belsen
De nazi’s deporteerden duizenden Joden uit de bezette landen naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Ze wilden deze Joodse gijzelaars uitwisselen met Duitsers die zich in vijandige landen bevonden, of losgeld voor de gevangenen vragen. De families Tal en Levenbach werden allebei naar ‘uitwisselingskamp’ Bergen-Belsen gedeporteerd en hoopten van daaruit vrij te komen.
Ten tijde van hun deportatie werden Joden al systematisch vermoord. De Joodse gijzelaars in Bergen-Belsen liepen ook groot gevaar. Zodra zij niet meer van nut waren voor de SS werden ook zij gedeporteerd en om het leven gebracht.
Wanneer werden de eerste Joden van Nederland naar Bergen-Belsen gedeporteerd?
Op 11 januari 1944 werden 1037 Joden per passagierstrein van Westerbork naar Bergen-Belsen overgebracht, onder hen bevond zich ook de familie Tal. Vanaf het perron moesten de gevangenen zes kilometer lopen naar het kamp.
The Breman Jewish Heritage Museum, Atlanta, GA / Charles Curtis Mitchell Family Papers collection, No. CCM 405.006, publiek domein
Het was koud, het sneeuwde, en de SS’ers met honden en geweren stonden op het perron te wachten. Ze schreeuwden tegen ons dat we snel uit de trein moesten komen.
© Privébezit familie Asscher
De tekeningen in dit hoofdstuk zijn gemaakt door Louis Asscher. Tegelijk met de familie Tal kwamen hij en zijn familie op 11 januari 1944 aan in Bergen-Belsen. In het kamp maakte hij in het geheim tekeningen van het dagelijks leven van de gevangenen.
Louis Asschers tekeningen behoren tot de weinige afbeeldingen die van het kamp bestaan. Hij had papier en potloden meegenomen vanuit Amsterdam, naast andere bagage die hij in één enkele rugzak moest vervoeren.
Hoe waren de leefomstandigheden in het uitwisselingskamp?
Aangezien het de bedoeling was de geïnterneerden uit te wisselen, waren de omstandigheden in Bergen-Belsen anders dan die in de andere concentratiekampen. Toch waren ook hier de leefomstandigheden niet best en verslechterden alleen maar. Het kamp was verdeeld in verschillende delen.
© Privébezit familie Asscher
Ons gedeelte van het kamp heette het ‘Sternlager’, oftewel het ‘sterrenkamp’, omdat we allemaal een gele ster droegen. Weiter
Wij droegen geen gestreepte kleren zoals de andere gevangenen, maar mochten onze eigen kleding dragen.
Het Sterrenkamp bestond uit twee gedeelten, het ene deel was voor de vrouwen, het andere voor de mannen. Een hek met prikkeldraad scheidde de twee gedeelten van elkaar. Om acht uur ‘s avonds ging het hek dicht. Ik zat met vader in het mannengedeelte, maar overdag konden de families bij elkaar zijn. Al waren de omstandigheden in het kamp moeilijk, toch was onze situatie betrekkelijk goed, aangezien de families niet gescheiden werden.
© Privébezit familie Asscher
Mijn vader Sander en ik zaten in barak 13, net als Dolf en Joost, Annelie’s vader en broer. We sliepen in stapelbedden die 60 cm breed waren. Weiter
De Duitsers wilden niet dat we niets deden. ’s Morgens moesten we ons bed op de voorgeschreven manier opmaken. Het moest zo glad zijn als een glasplaat, want zo wilden de SS-bewakers het. Als zij vonden dat je bed niet perfect was opgemaakt, werd je bestraft en (…) kreeg je geen brood.
© Privébezit familie Asscher
In Bergen-Belsen zaten moeder, Marion, Ruth en ik in barak 21.
© Privébezit familie Asscher
Oma Netta zat niet in dezelfde barak als wij. Zij was ondergebracht in het ‘Altersheim’, de barak voor de ouderen. We zagen haar bijna nooit. Zelfs niet als het appèl werd afgenomen.
© National Collection of Aerial Photography, Edinburgh, United Kingdom, NCAP_ACIU_106G_2946_3051. All rights reserved
Op 17 september 1944 nam een Brits verkenningsvliegtuig foto’s van Bergen-Belsen. In de rechterbovenhoek van de foto is een groep mensen te zien in vierkante formatie op de appèlplaats van het Sterrenkamp. Op het moment dat de foto werd genomen nam de SS een appèl af. De SS’ers gebruikten de appèls vaak als een gelegenheid om de gevangenen lastig te vallen en te mishandelen.
Barak 12, waar Ruth en No'omi zaten, samen met moeder Fré en Marion, is oranje gemarkeerd. Annelie Levenbach en haar moeder Liesje zaten ook in deze barak.
Barak 13, waar Chanan was ondergebracht samen met vader Sander, is paars gemarkeerd. Annelie’s broer Joost en haar vader Dolf zaten ook in deze barak.
De zwarte lijn geeft de grenzen aan van het Sterrenkamp in september 1944.
Dagelijks vond het gehate appèl plaats op de ‘Appellplatz’. Weiter
Nadat de bedden waren geïnspecteerd vond het gehate dagelijkse appèl plaats op de ‘Appellplatz’. We moesten in rijen van vijf gaan staan en wachten tot we geteld werden. Het duurde een uur, of twee uur of drie uur, elke dag opnieuw, ongeacht het weer. Soms twee keer per dag, bij wijze van straf. We stonden in de zon en het stof, in regen en modder, als het sneeuwde en vroor, net zolang tot de kampbewakers tevreden waren.
© Privébezit familie Asscher
Het kamp was omheind met hekken van prikkeldraad die onder stroom stonden. Er waren ook wachttorens met gewapende kampbewakers, die ’s avonds de schijnwerpers aanzetten en het kampterrein afspeurden.
© Privébezit familie Asscher
Het eten in Bergen-Belsen was afschuwelijk, en veel te weinig. Weiter
Over het algemeen kregen we een dunne, waterige rapensoep waar soms een schijfje aardappel in dreef of een stukje vlees. Heel soms gaven ze ons pompoensoep of noedelsoep. Het dagelijks brood was een snee van drie centimeter compact zuur Duits brood.
Eén keer in de week kregen we 25 gram margarine, en soms gaven ze ons een eetlepel jam of een driehoekje stinkkaas. ’s Morgens was er een onduidelijke warme drank genaamd koffie. Natuurlijk een surrogaat.
© Privébezit familie Asscher
Zo nu en dan hoorden we iemand klagen of huilen dat haar of zijn brood was verdwenen: ‘Ze hebben het van me weggenomen, ze hebben het van me gestolen.’
De hoeveelheid en de kwaliteit van het voedsel dat we kregen was natuurlijk niet voldoende om van te leven. Weiter
We leden vreselijke honger, vermagerden sterk en velen hielden het niet vol, en stierven. Toen ik op mijn vijftiende bevrijd werd woog ik nog maar zesentwintig kilo.
Moesten de geïnterneerden in het Sterrenkamp werken?
De meeste gevangenen die hier zaten moesten werken, maar er werden uitzonderingen gemaakt voor kinderen, zieken en ouderen.
© Privébezit familie Asscher
Wie geschikt was om te werken, moest elke morgen om 6 uur met een arbeidscommando mee om ergens buiten het kamp arbeid te verrichten. Weiter
Vóór 6 uur ’s avonds waren ze niet terug. De meesten, onder wie Annelie’s vader Dolf en haar broer Joost, moesten werken op de enorme berg schoenen naast het kamp. Ze moesten de oude schoenen uit elkaar tornen en de nog bruikbare stukken leer eruit halen.
Anderen werkten in de keuken, zoals Annelie’s moeder Liesje. Sommige arbeidscommando’s waren bijzonder gehaat, zoals het zware werk in het bos waar boomstronken uitgegraven moesten worden en bomen gekapt. Kinderen, moeders met jonge kinderen, ouderen en zieken bleven in het kamp.
Vader had geen werk, omdat hij in Westerbork een koudvuurinfectie aan zijn duim had opgelopen en zijn duim in Bergen-Belsen geamputeerd moest worden.
Moeder werkte in het kamp; ze moest toezicht houden in de barak.
Wat gebeurde er als er conflicten waren in het Sterrenkamp?
Het gebrek aan voedsel, kleding en andere spullen leidde tot diefstal en conflicten. Met toestemming van de SS mochten de gevangenen een rechtscommissie oprichten waar geschillen werden beslecht. Op deze manier zorgden de gevangenen zelf mede voor de orde in het kamp.
© Privébezit familie Asscher
Moeder had de moeilijke taak het eten in de barak te verdelen. Er ontstond ruzie. Weiter
Iedereen had recht op een volle opscheplepel soep, maar de ene was voller dan de andere (…) en bovendien kreeg niet iedereen een even dikke soep (…)
Op een dag kregen we kaas. Dat was buitengewoon – gele kaasdriehoekjes met gaten erin. Iets heel bijzonders. Moeder legde de mooiste stukken apart voor degenen die ’s morgens vroeg met het arbeidscommando waren vertrokken en nog niet waren teruggekeerd. Sommigen beweerden dat moeder die stukken voor zichzelf hield. Moeder legde uit hoe het zat, maar het mocht niet baten (…) Er kwam ruzie. Ik stond erbij, hoorde de beschuldigingen, en zag dat moeder huilde.
Iemand riep de plaatsvervangend ‘Jüdenältester’ (‘Joodse kampoudste’; de vertegenwoordiger van de gevangenen) erbij, Jupp Weiss. Hij luisterde, vond moeders uitleg overtuigend, en slaagde erin de gemoederen tot bedaren te brengen.
© Privébezit Hans-Dieter Arntz
Net als in alle andere concentratiekampen stelde de SS ook in het uitwisselingskamp gevangenen aan als ‘Lagerälteste’ (‘kampoudsten’) en ‘Blockälteste’ (‘blokoudsten’). Deze gevangenen zaten in een moeilijke positie. Ze moesten de bevelen van de SS uitvoeren en hadden maar weinig handelingsvrijheid. De SS maakte gebruik van het zelfbestuur van de gevangenen.
Josef (Jupp) Weiss was eerst plaatsvervangend ‘Judenältester’ in het Sterrenkamp. Vanaf 1944 vervulde hij die functie zelf. Hij probeerde het leed van de gevangenen te verlichten.
Josef Weiss en zijn gezin waren in 1933 uit Duitsland naar Nederland gevlucht. In januari 1944 werden zij naar het uitwisselingskamp Bergen-Bergen gedeporteerd.
© Privébezit familie Asscher
De gevangenen in het uitwisselingskamp moesten onder andere schoenen uit elkaar halen. De goede stukken werden hergebruikt. De oude schoenen werden op een grote hoop gegooid. Het werk in de stoffige werkbarakken was een smerige aangelegenheid. Twee SS’ers hielden toezicht op het werk en vielen de gevangenen geregeld lastig.
In het kamp wist ik op één of andere manier aan schoenmakersspullen te komen: een schoenleest, hamer, mes en een schoenmakersrasp. Hiermee kon ik schoenen repareren. Weiter
Het was meer dan een jaar geleden dat we waren opgepakt. De weinige kleren die we hadden waren aan het slijten en allesbehalve schoon, en ook onze schoenen moesten worden gerepareerd. Vrienden die schoenen uit elkaar moesten halen gaven me alles wat ik nodig had: leer van verschilden diktes, spijkertjes, kromme delen die recht getrokken moesten worden.
In het begin repareerde ik alleen schoenen van familieleden, maar later werkte ik ook voor anderen. Dan kon ik iets terugvragen voor mijn werk, in de vorm van een snee brood of wat soep.
Zoals overal, kwam het ook voor dat er niet betaald werd voor goederen en diensten. Als het mij overkwam, stapte ik naar de rechtscommissie.
© Privébezit familie Tal
Transcriptie
B.B. 13 [december] 1944
Der Judenälteste: J. Albala.
Voor barak 13.
Ik weet van twee gevallen die door de gevangenenrechtbank zijn behandeld. Chanan vertelde mij over het eerste. Weiter
Hij deed bij de rechter zijn beklag over een man die hem weigerde een rantsoen soep te betalen voor het repareren van een paar schoenen, zoals zij van tevoren hadden afgesproken.
De rechter boog zich over de kwestie, ondervroeg de man, ondervroeg Chanan, en oordeelde: de soep bestemd voor de eigenaar van de schoenen moest aan Chanan worden gegeven.
Nog een hartverscheurend geval, waar ik met droefheid aan terugdenk, is een vrouw die brood had gestolen. Weiter
Ze was zwaar ziek en ondervoed (…) En je vraagt je af: wanneer bereik je het punt waarop je moet zeggen: je kunt niet meer oordelen, laat het gaan, doe niets (…)
Aan de andere kant, die wanhopige situatie waarin je probeert de orde te handhaven en de rechten en eigendommen van iedereen probeert te handhaven (…) Er werden dus pogingen gedaan de wet te handhaven. Ik weet niet of er ook gestraft werd of dat ze tevreden waren met te zeggen: ‘dat had je niet moeten doen.’ Want hoe kun je iemand zoals zij laten teruggeven wat ze had weggenomen? Het was een onmogelijke situatie.
Werden er gevangenen uit het Sterrenkamp uitgewisseld?
In het Sterrenkamp zaten rond de 1300 gevangenen die papieren hadden die hen toegang gaven tot Palestina. Slechts 222 van hen werden inderdaad uitgewisseld: in de zomer van 1944 werden zij per trein via Istanboel naar de vrijheid getransporteerd.
© Privébezit familie Tal
Op een bepaald moment begonnen ze een lijst op te stellen van mensen, de ‘Palestina-groep’, die uitgewisseld zouden werden met Duitse staatsburgers. Weiter
Het was een zenuwslopende en uitputtende aangelegenheid. Eerst stonden er veel mensen op de lijst, en toen stopte het hele proces ineens. Toen het weer werd hervat bleek dat allerlei mensen van de lijst waren verwijderd. Zij waren zeer teleurgesteld.
Oma Netta stond vanaf het begin op de uitwisselingslijst, en gelukkig bleef ze erop staan.
De hele groep werd overgebracht naar aparte barakken, naast ons, aan de andere kant van het prikkeldraadhek. En opeens, op 30 juni 1944, waren ze er niet meer (…) ik was niet ongerust, want ik wist dat ze op weg waren naar Palestina.
Toen de uitwisselingsgroep in Palestina aankwam, herkende oom Jacques zijn moeder eerst niet, zo erg was ze vermagerd en verouderd in de zes maanden die ze in Bergen-Belsen gevangen had gezeten.
© Privébezit familie Tal
Transcriptie
Departement van Migratie
Dossiernr. … Registratievolgnr. [onleesbaar]
Hierbij verklaar ik dat Vas Dias, R[o]netta – toestemming is verleend in Palestina te verblijven als immigrant krachtens de Immigratieverordening, 1933.
10.7.1944 [onleesbaar] Adjunct-commissaris Migratie
Hoofd grenscontrole, Haifa Port
Over de reis schreef grootmoeder Ronetta Vaz Dias in haar dagboek:
‘Vrijdagmorgen, 30 juni 1944. Om 3 uur ’s nachts liepen we van Bergen-Belsen naar [het treinperron], om 5 uur kwamen we aan en om 7 uur vertrokken we naar Wenen. Zaterdagmorgen om 9 uur arriveerden we in Wenen. We werden overgebracht naar een tehuis voor daklozen, netjes en schoon, uitstekend gegeten. Op zondagmorgen werden we ingeënt tegen pokken. Om 5 uur ’s middags gingen we [per trein] naar Istanboel. In de restauratiewagon was de bediening uitstekend en het eten zeer smakelijk. Zoiets heb ik dit jaar nog niet meegemaakt.’
© Meitar Collection/The Pritzker Family National Photography Collection, The National Library of Israel
Oom Jacques Vaz Dias, de broer van moeder Fré Tal, beschrijft de gebeurtenis vanuit zijn perspectief:
"Wonderbaarlijk genoeg zat mijn moeder bij de uitwisselingsgroep. Ze kwamen uit Wenen, reisden per trein door de Balkan en gingen met een veerboot naar Turkije. Nu ontfermde het Rode Kruis zich over hen, konden ze de gele ster verwijderen en waren in vrijheid. Daarna volgde een lange treinreis door Turkije, Syrië en Libanon naar het [Eretz] Israel."
Waarom verslechterden de leefomstandigheden in het uitwisselingskamp vanaf de zomer van 1944?
De nationaalsocialisten deporteerden steeds meer gevangenen naar het uitwisselingskamp. Maar in plaats van hier meer ruimte te bieden, propten ze juist meer geïnterneerden in de barakken. Die raakten overvol en de sanitaire voorzieningen waren volstrekt ontoereikend.
© Privébezit familie Asscher
In het begin waren er alleen tweepersoons stapelbedden, maar in de zomer van 1944, toen ze begonnen met het overbrengen van gevangenen uit andere kampen naar Bergen-Belsen, maakten ze er driepersoons stapelbedden van.
© National Collection of Aerial Photography, Edinburgh, United Kingdom, NCAP_ACIU_16_1172_4084. All rights reserved
Vanaf het begin maakte het uitwisselingskamp Bergen-Belsen onderdeel uit van het systeem van concentratiekampen. Dit was nog een reden waarom de leefomstandigheden van de gevangenen ellendig waren en nog verder verslechterden.
Vanaf maart 1944 bracht de SS ook zieke en verzwakte mannen uit andere kampen naar Bergen-Belsen. Op deze manier wilde de SS er zeker van zijn dat de wapenproductie in de andere kampen soepel bleef verlopen. Met de toestand van de gevangenen hielden zij geen rekening. Deze mannen werden in een nieuw deel van het kamp ondergebracht, het mannenkamp.
Vanaf augustus 1944 werden er ook vrouwen uit andere concentratiekampen naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Duizenden van hen werden door de SS vervolgens doorgestuurd om ergens anders tewerkgesteld te worden. Anderen, vooral zieke en zwangere vrouwen, bleven in Bergen-Belsen achter. Deze vrouwen werden eveneens in een nieuw deel van het kamp ondergebracht, het vrouwenkamp.
Hoe hielden de families de moed erin?
De familieleden trotseerden de ellende in het kamp met allerlei dagelijkse bezigheden en hobby’s, verjaardagsfeestjes en het lezen van boeken. Het nieuws over het verloop van de oorlog gaf hen hoop, en uit de pakketten die zij ontvingen bleek dat zij niet waren vergeten.
© Alamy, ID 2T600PC
Vanaf de zomer van 1944 zagen we Amerikaanse en Britse vliegtuigen overvliegen. Weiter
Ze gingen Duitse steden bombarderen. Het deed ons veel plezier; we wisten dat het verslaan van de Duitsers in de oorlog onze enige kans op overleven was. Op de een of andere manier hoorden we over de Amerikaanse en Britse invasie in Frankrijk op 6 juni 1944 en over de Russische opmars in de richting van de geëvacueerde kampen in het oosten.
© Privébezit familie Tal
Voor vaders verjaardag spaarden we brood om een taart voor hem te maken.
Weiter
We deden er lang over. Van het rantsoen brood dat we kregen sneden we telkens een dun stukje af (…) We spaarden een tijdlang brood op, ieder van ons elke dag een heel dun sneetje. Uiteindelijk vermengden we het brood met water, margarine en suiker, en maakten er een verjaardagstaart van die we versierden met druppeltjes jam.
© Privébezit familie Asscher
Ondanks de appèls, de kou, de honger, de ziekten en de doden, hielden we vast aan onze dagelijkse routines. We maakten schoon, wasten en aten wat er te eten viel. Weiter
Wij kinderen speelden. Er was ook iemand die lesgaf. Chanan maakte speelgoed en repareerde schoenen, vader herstelde zaklantaarns, moeder breidde, Marion werkte als verpleegster.
We deden de was met koud water en een kleiachtige ‘zeep’. Ik herinner me dat het hemd dat ik aan het prikkeldraadhek had gehangen was bevroren, en dat ik het als een plank terug naar de barak droeg. Ik moest er erg om lachen.
© Gedenkstätte Bergen-Belsen
Nu en dan ontvingen de gevangenen in het uitwisselingskamp pakketten van hulporganisaties. De pakketten werden gecontroleerd door de SS, die er soms spullen uithaalde voordat ze aan de gevangenen werden gegeven. Voor hen waren de pakketten niet alleen een welkome aanvulling van het kampvoedsel, maar ook een teken dat ze niet waren vergeten.
De inhoud werd onder ons allemaal verdeeld, ongeacht wie de geadresseerde was. Dit gebeurde misschien twee of drie keer. Telkens zorgde het voor de nodige opwinding en het was ook heel bemoedigend.
© Privébezit familie Asscher
De plaats waar je kunt zitten wordt kleiner en kleiner, maar er is nog steeds een hoekje waar een tafel staat.
© Privébezit familie Tal / Gedenkstätte Bergen-Belsen
Transcriptie
R – Ruth
Jullie – jullie
Hier zitten we, Ruth en ik en al onze vrienden. Ze vieren onze bat mitswa. Iedereen heeft iets meegebracht. Weiter
Zelfgemaakte cadeautjes, kleine poppen van rode en blauwe wol, geborduurde handschoentjes, voor elk een sjaaltje, een tafelkleedje met twee servetjes, linten voor in ons haar (…) Het was heel feestelijk. Ik bewaar een goede herinnering aan deze viering, aan de ‘saamhorigheid’ en het gevoel in het middelpunt te staan!
De meisjes lazen ons ook een liedje voor dat ze hadden geschreven. Ik heb het bewaard, en toen we uit Bergen-Belsen weggingen nam ik het mee, en ook de cadeautjes die Ruth had gekregen. Niet die van mij, want we mochten maar heel weinig spullen meenemen.
Cissy van Marxveldt, Joop ter Heul’s problemen. Met illustraties van Is. van Mens, Valkhoff & Co. Amersfoort, 4e dr. (ca. 1925)
Toen we naar Bergen-Belsen gingen mocht ik maar twee boeken inpakken, want we mochten niet veel bagage meenemen. Weiter
Ik koos twee boeken uit van Cissy van Marxveldt. Het waren ‘Joop ter Heul’s problemen’ en ‘Joop van Dil-ter Heul’. De boeken gingen over een opgroeiende tiener die veel problemen had, maar die waren totaal anders dan die ik in die jaren had. Het waren amusante en luchthartige boeken. In Westerbork en Bergen-Belsen las ik ze elke keer opnieuw.
Cissy van Marxveldt, ‘De H.B.S.-tijd van de Joop ter Heul’, Met illustraties van Is. van Mens, Valkhoff & Co. Amersfoort, 8e dr. (1926)
Wonderbaarlijk genoeg wist ik in de laatste maanden in Bergen-Belsen aan nog een ander boek van Cissy van Marxveldt te komen. Weiter
Het was het eerste deel van het vierluik ‘De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul’.
De mooiste herinnering aan dit boek is verbonden aan een middag in het kamp. Vanwege overvliegende geallieerde vliegtuigen was het alarm afgegaan waardoor mijn moeder het kamp niet uit mocht om te gaan werken. Ik las haar wat voor uit het boek, en zij zat rustig te luisteren. Even later, toen het alarm voorbij was, moest ze terug naar de keuken om te werken. Mijn moeder was een actieve en positief ingestelde vrouw, maar ook behoorlijk gestrest. Om begrijpelijke redenen was ze aangedaan door de spanningen en verschrikkingen voor en tijdens de oorlog. Ze was vaak ongeduldig en nerveus. Maar het uur dat we die middag samen doorbrachten was een bijzonder geschenk dat ik nooit zal vergeten.
Waardoor verslechterden de omstandigheden vanaf december 1944?
De SS wilde voorkomen dat de concentratiekampgevangenen werden bevrijd en ontruimde de kampen waar de geallieerde strijdkrachten dichterbij kwamen. Vanaf eind 1944 werd Bergen-Belsen de eindbestemming van de evacuatietransporten en dodenmarsen uit de andere kampen.
© United States Holocaust Memorial Museum, Washington, D.C., No. 34755
In december 1944 werd Josef Kramer aangesteld als commandant van Bergen-Belsen. Hiervoor was hij commandant geweest van het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor de moord op 300.000 Hongaarse Joden. Na zijn aanstelling in Bergen-Belsen verslechterden de leefomstandigheden van de gevangenen aanzienlijk.
Op deze foto – vermoedelijk daterend van juli 1944 – staan vooraanstaande SS-officieren in het SS-recreatieoord Solahütte bij Auschwitz. Van links naar rechts: de arts Josef Mengele; voormalig kampcommandant van Auschwitz Rudolf Höss; de toenmalige commandant van Auschwitz-Birkenau Josef Kramer; en Anton Thumann.
© National Collection of Aerial Photography, Edinburgh, United Kingdom, NCAP_ACIU_16_1172_4084. All rights reserved
Om de nieuwe gevangenen in Bergen-Belsen onder te brengen had de SS meer ruimte nodig. De uitwisselingsgevangenen werden in steeds minder barakken gepropt. Ook het mannenkamp en het vrouwenkamp waren overvol, ook al namen beide delen van het kamp steeds meer ruimte in. Midden januari 1945 droeg de Wehrmacht, het Duitse leger, het terrein van een krijgsgevangenenkamp dat grensde aan het concentratiekamp over aan de SS. Nieuwe vrouwelijke gevangenen werden hier ondergebracht. Het vrouwenkamp nam nu het grootste gedeelte van concentratiekamp Bergen-Belsen in beslag.
Welke gevolgen had de verdere verslechtering van de leefomstandigheden voor de familie Tal?
Kort na de verjaardag van Ruth en No’omi op 5 december 1944 werden de gevangenen nog meer op elkaar gepropt. Niet lang hierna werd Ruth ziek en overleed. Moeder Fré liep tyfus op, vader Sander raakte ernstig verzwakt en Chanan kreeg ook tyfus.
© Privébezit familie Tal
Net als iedereen moesten ook wij nog meer inschikken. Twee personen in een bed. Weiter
Er was een constante stroom van nieuwe gevangenen: naar ons gedeelte en naar de omringende terreinen. Te midden van de grote chaos hadden wij het nog betrekkelijk goed. We besloten dat het het beste was als een grote en een kleine bij elkaar gingen liggen: moeder en Ruth, Marion en ik. We waren uiteindelijk tevreden met onze nieuwe plaats. We hadden twee bovenbedden naast elkaar die tegen de wand aan stonden. Boven onze hoofden hadden we een beetje meer ruimte, en we hadden ook een spijker: om onze kleren aan op te hangen. We hadden echter niet lang plezier van ons ‘luxe appartement’: na ongeveer een week werd Ruth ernstig ziek en moest naar de ziekenbarak.
Ruth was erg ziek. Haar toestand verslechterde heel snel. Weiter
Na een paar dagen mocht ik haar van moeder bezoeken. Toen ik bij haar stond, leek het net alsof ze achter glas lag; ik zag haar, maar ze zag mij niet (…) Er was geen contact. Kort nadat ik bij haar was geweest, overleed ze.
Ruth Tal
1932-1945
Die winter overleed onze zus Ruth op 3 januari 1945, 18 tevet 5705 volgens de Joodse kalender, op 12-jarige leeftijd.
© Privébezit familie Asscher
We liepen achter de kar aan waar de doden van die dag op waren gelegd, vader en ik samen. We staken de appèlplaats over en liepen naar de poort van het kampterrein. Weiter
De kar ging onder de poort door en sloeg linksaf. We stonden vlak bij het prikkeldraadhek rechts van de poort. Vader zei de kaddisj.
Chanan, Marion en moeder konden niet met ons mee omdat ze moesten werken of ziek waren. Een paar jaar geleden nog hebben we erover gesproken, Chanan, Marion en ik, maar we konden ons het niet meer precies herinneren (…). Wat ik me wel herinner is dat moeder tyfus kreeg en kort na Ruths overlijden naar de ziekenbarak werd overgebracht. Marion en ik bleven in één bed slapen.
Op de terugweg vertelde vader mij over rabbi Meir en zijn vrouw Bruria. Weiter
Op een zaterdagavond keerde rabbi Meir terug uit de synagoge. Hij wilde weten waar zijn twee zoons waren. Bruria, zijn vrouw, vroeg hem: ‘Als iemand mij een kostbaar sieraad in bewaring heeft gegeven en dat terug wil hebben, moet ik hem dit dan geven?’ Rabbi Meir antwoordde: ‘Maar natuurlijk!’ Bruria zei tegen haar man: ‘God heeft onze twee zoons teruggevraagd.’
‘Toen jij geboren werd,’ vertelde vader mij, ‘verwachtten wij maar één kind. We waren dus heel verbaasd toen we twee dochters kregen! Nu is ons gevraagd om één kind terug te geven.’ Op deze manier probeerde hij zichzelf te troosten, en benadrukte hij de twaalf gelukkige jaren die Ruth met ons samen was.
Vader zei: ‘Zing! Zo moet je je haar herinneren.’ Weiter
Die dag, of een dag of twee later, toen vader en ik samen over de appèlplaats liepen, betrapte ik mezelf erop dat ik neuriede. Ik schrok van mezelf – dat hoorde niet! Ik mag niet zingen, Ruth is net gestorven! Vader merkte aan me wat er aan de hand was en zei: ‘Zing! Zo moet je je haar herinneren.’ Ik nam zijn raad onmiddellijk over, en sindsdien ben ik het mijn hele leven blijven doen.
© Ghetto Fighters‘ House Museum, Israel, catalogus nr. 528, register nr. 13959, pagina 93
Transcriptie
De kampoudste, Josef Weiss, registreerde alle sterfgevallen in het Sterrenkamp. Op een genummerde lijst noteerde hij naam, geboortedatum en overlijdensdatum, en tijdstip van overlijden.
Begin januari 1945 waren hier al meer dan 320 gevangenen overleden aan honger en ziekten. Van de ongeveer 4500 geïnterneerden van het Sterrenkamp overleden er nog honderden voordat het kamp werd bevrijd.
uit: Henri Pieck, Buchenwald. Zeichnungen aus dem Konzentrationslager, Frankfurt am Main 1981
Dit schilderijtje is van Henri Pieck, een Nederlandse schilder die gevangen zat in concentratiekamp Buchenwald, maar dat de omstandigheden in Bergen-Belsen in de winter van 1945 goed weergeeft. Daarom koos Chanan het uit ter illustratie van deze tekst.
Vader Sander was een slanke man met een gezonde eetlust. Het weinige eten dat hij kreeg was voor hem niet genoeg. Weiter
Na een jaar in het kamp, aan het begin van de tweede winter, was het duidelijk dat hij steeds zwakker werd. Het extreme weer, de kou, de sneeuw en de modder, bovenop de voortdurende honger, hadden hun uitwerking op hem niet gemist. Hij had veel verdriet om het verlies van Ruth, en zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ging sterk achteruit; vader begon zijn belangstelling voor zijn omgeving te verliezen.
Tijdens de laatste en moeilijkste maanden sliepen wij samen in het bovenste bed van 60 cm breed, met onze spullen. Het dagelijkse appèl werd afgenomen in de kleine ruimte tussen barakken achter het terrein van het Sterrenkamp, dat sinds de herfst steeds kleiner was geworden. Vele uren stonden we daar met z’n allen, onder alle weersomstandigheden. Gedurende deze periode zorgde ik voor vader, knipte zijn haar en leverde voor ons beiden voortdurend strijd tegen bedwantsen, vlooien en vooral luizen. Vader was 41, ik was 14.
De laatste winter was de ergste van allemaal. De omstandigheden verslechterden, overal was wanhoop en dood. Weiter
We hadden veel te lijden van kou en sneeuw. De toestand van het sanitair was met geen pen te beschrijven. Kwaliteit en hoeveelheid van het voedsel dat we kregen – toch al niet genoeg – ging nog verder achteruit. De keukens konden het werk niet aan vanwege het grote aantal gevangenen. Het voedsel kwam op onverwachte tijden, en soms zelfs helemaal niet.
Op het laatst was er zelfs alleen op bepaalde tijden drinkwater beschikbaar. De luizen veroorzaakten de uitbraak van een tyfusepidemie, die vele slachtoffers eiste. Geneesmiddelen waren er niet.
© IWM, ART LD 5467
Doris Zinkeisen kwam na de bevrijding in het concentratiekamp als ‘oorlogskunstenaar’, die in opdracht van het Britse leger tekeningen en schilderijen maakte. Dit schilderij komt overeen met No’omi’s indruk van de stapels lijken in het voorjaar van 1945 in Bergen-Belsen.
Stapels dode mensen; het was zo afschuwelijk dat je het bijna niet kon geloven. Weiter
Midden in het kamp lagen stapels lijken, en ik herinner me (…) het is een vreselijke gedachte (…) ik herinner me dat ze die in een bepaalde volgorde legden, laag op laag, kruislings op elkaar (…) en dat ik plotseling dacht: ‘Het lijken wel broden.’ Misschien omdat ik constant aan brood dacht want er was niets te eten. Je kon het niet geloven, dat kon je gewoon niet (…).
De meeste doden, de stapels lijken, lagen niet in het Sterrenkamp, maar achter het hek, vlak voor onze ogen.
Wat waren de gevolgen van de verslechterende leefomstandigheden voor de familie Levenbach?
Annelie’s vader, Dolf Levenbach, overleed in Bergen-Belsen. Omdat haar moeder en broer de volgende dag moesten werken, was het alleen Annelie die de kar met het lijk van haar vaders lichaam naar het hek van het Sterrenkamp begeleidde.
Dolf Levenbach
1891-1945
Vader overleed op 3 maart 1945 op 54-jarige leeftijd. Weiter
Hij stierf door uitputting als gevolg van honger, kou, diarree en afmattend werk. Af en toe moesten er strafoefeningen worden gedaan. Na een slopende werkdag moesten de mannen dan rondjes rennen om de appélplaats. Vader klaagde nooit, maar hij zei wel een keer dat hij het zo vreselijk vond wat zijn kinderen moesten doormaken. Ik herinner me dat ik heb geprobeerd hem op te beuren.
Al een paar weken wist ik dat hij dood zou gaan. Want soms, wanneer we ’s avonds tussen de barakken samen een wandelingetje maakten en naar de sterren keken, onze enige toevlucht, dan was hij af en toe even ‘weg’. Uit wat ik bij andere mensen had gezien, wist ik dat dit kwam door algehele uitputting en dat hij niet meer lang te leven had.
© Gedenkstätte Bergen-Belsen
Toen hij op het einde niet langer meer op kon staan, kwam ik elke dag naar hem toen om hem rapensoep te geven. Weiter
Ik zie het nog steeds duidelijk voor me. Hij lag in het onderste bed, en ik hield de lepel met de steel naar beneden waardoor het moeilijk voor hem was om te eten, maar vader was altijd geduldig met me en klaagde nooit. Hij was een zachtmoedige man met een geweldig gevoel voor humor, en ik voelde me altijd erg op mijn gemak met hem. Hij schreeuwde nooit en was zeer bescheiden. Hij hield veel van de natuur; we maakten vroeger lange wandelingen en fietstochten en werkten samen in de tuin. In Bergen-Belsen was geen natuur, alleen barakken, modder en zand.
Tijd om te rouwen was er niet; we hadden het te druk met overleven. Weiter
Het was de laatste en ergste maand in het kamp. Bijna geen water en geen eten, veel ziekten en veel doden. Het was later pas, in Nederland, dat de volle omvang van het verlies tot me doordrong en ook de diepe treurigheid die lange tijd bij me gebleven is. Ik hield het bijna niet meer uit, totdat het verdriet een beetje wegebde toen de omstandigheden waarin ik verkeerde beter werden.
© Ghetto Fighters‘ House Museum, Israel, catalogus nr. 528, register nr. 13959, pagina 106
Transcriptie
In Josef Weiss’ dodenregister van het Sterrenkamp is maar een fractie opgenomen van het totaal aantal doden in het kamp Bergen-Belsen. Van de in totaal 120.000 gevangenen die naar het uitwisselingskamp, het mannenkamp en het vrouwenkamp waren gedeporteerd, waren er 38.000 overleden toen Bergen-Belsen op 15 april 1945 werd bevrijd. Nog eens 14.000 mensen stierven in de weken erna als gevolg van hun gevangenschap.
Kampcommandant Josef Kramer en zijn staf van SS’ers probeerden later de verantwoordelijkheid voor het leed en de dood van tienduizenden gevangenen van zich af te schuiven. Ze zouden niet in staat zijn geweest te voorkomen dat de SS-leiding deze mensen op dodenmarsen en evacuatietransporten naar Bergen-Belsen stuurde. De kampcommandant had echter direct invloed op de leefomstandigheden van de gevangenen in Bergen-Belsen. Zo verminderde de kampleiding de rantsoenen voor de gevangenen, ook al was de hoeveelheid voedsel en medicijnen in het kamp groot genoeg.